Inleiding

Inleiding.

Ook fuchsia’s hebben wel eens last van beestjes en andere nare dingen die wij niet graag in onze planten zien verschijnen. En als dat grotere vormen aanneemt noemen we het een plaag. Een plaag ontstaat door aantasting van de plant van buitenaf, meestal door een insect of een schimmel.

Naast deze externe schadeveroorzakers kan de fuchsia ook last hebben van een gebreksschade, veroorzaakt door een tekort aan een bepaalde voedingsstof.

Bijna overal is wel een oplossing voor, je moet alleen eerst weten wat er fout zit om te weten wat eraan te doen valt.

Nog beter is het om deze narigheden te voorkomen. Preventieve maatregelen dus. Hoe  gezonder uw plant is, hoe meer weerstand hij heeft.

De omgeving waarin de plant staat is tot op zekere hoogte beïnvloedbaar. Zoals in de zon of toch wat meer schaduw, beschut of in de wind. Dus, zet hem op de goeie plek. Dat is al een eerste preventieve maatregel.

Een verkeerde verzorging (verkeerde potgrond, teveel of te weinig water, verkeerde bemesting) is van invloed op het uiterlijk van de plant, het effect is een plant die ziek lijkt te zijn. Een goede verzorging is dus een tweede preventieve maatregel.

Andere planten kunnen ook van invloed zijn op uw fuchsia’s. Niet alleen door schaduw te geven, maar ook kunnen ze bepaalde luchtjes afgeven waar nare beestjes een hekel aan hebben. Deze maatregel wordt ook wel biologisch tuinieren genoemd.

Bron: Frans van Mameren.

Schimmels

Schimmels.

Een schimmel groeit meestal op dood of verzwakt organisch materiaal. Het vormt een meer of minder grote zwam vlok die je eigenlijk niet ziet. Wat we zien zijn meestal de vruchtlichamen van de schimmel, ofwel de paddenstoel met miljarden sporen. Een aantal van deze schimmels kunnen onze planten schade berokkenen.

Grauwe schimmel of Botrytus cinerea.

Dit is een grauwgrijze schimmel op de stengel en het blad en vooral aan de stengelvoet van de stekken. Hij wordt ook wel smeul genoemd, jonge planten lijken inderdaad weg te smeulen. Het is een zwakte parasiet en dus een echte opruimer van dood en zwak plantaardig materiaal. Als de omstandigheden voor de schimmel gunstig zijn kan hij ook op gezonde planten voorkomen.

De schimmel groeit eigenlijk in de plant. Wat we aan het oppervlak zien, als de plant is aangetast, is een grauwbruin pluis met miljarden sporen, de vruchtlichamen(paddenstoelen) dus. Hij kan ook op of onder de bast aanwezig zijn en is dan moeilijk te bestrijden. Hij lijkt dan wel wat op Phytophtera. De schimmel doet het goed in koele, vochtige omstandigheden. Een hoge luchtvochtigheid in de kas is heel bevorderlijk. Dus regelmatig luchten en verwarmen. Ook moeten afgevallen bladeren en bloemen verwijderd worden. Als daar al pluis opzit heel voorzichtig, zodat de sporen niet verstuiven. Zo nodig spuiten met een fungicide.

Fuchsiaroest of Pucciniastrum epilobii.

Ook deze schimmel groeit onder de oppervlakte van (dus in) de bladeren. Hij neemt daar met een soort zuigworteltjes voedsel uit de cellen op. Deze schimmelziekte geeft oranjebruine sporenhoopjes aan de onderkant van het blad (kaneelhoopjes) vooral in juli/september.

De fuchsiaroest is een roest die een tussenwaardplant nodig heeft voor een volledige levenscyclus. D.w.z. dat de sporen die op de fuchsia zijn ontstaan een schimmel vormen op de waardplant Abies alba (zilverspar). Deze schimmel vormt dan weer sporen die op de Fuchsia ‘ontkiemen’ of op Godetia of Epilobium (wilgenroosje). Bij een ernstige aantasting treedt massale bladval op en kan de plant doodgaan. Bestrijden door alle aangetaste bladeren af te knippen en te vernietigen. Verder is het moeilijk te bestrijden.  

Verwelkingsziekte (Verticillium dahliae).

Verwelkingsziekte wordt  veroorzaakt door de schimmel Verticillium dahliae. De ziekte wordt gekenmerkt door een vervroegd afsterven van de plant. De schade wordt bevorderd door stressfactoren zoals hitte, droogte, waterovermaat of een te gering aanbod van stikstof.

Het meest kenmerkende symptoom voor deze ziekte is de plotselinge verwelking van soms maar een deel van de plant. Rigoureus wegknippen van dat deel kan soms de redding van de plant zijn. Als de schimmel al verder is gaat de hele plant dood. Eenzijdige bladverkleuring tijdens het afsterven van de bladeren en de loodgrijze kleur van de afgestorven stengels is ook een kenmerk. De schimmel heeft een uitgebreide waardplantenreeks en kan in de vorm van microsclerotiën tenminste zes jaar in de grond overblijven. De vorming van microsclerotiën vindt niet plaats zolang de plant nog groen is.

Voetrot en/of wortelrot.

Dit kan meerdere oorzaken hebben. Eén is de schimmel Phytophthora nicotianae (natrot) en een ander is Pythium spinosum. Deze schimmels komen altijd in potgrond voor en helpen bij de afbraak van dood organisch materiaal. Ze komen binnen via de wortels. Maar alleen als het wortelgestel is verzwakt, bijvoorbeeld na verpotten of bij heel jonge stekken. Phytophthora kan zich verspreiden door water en door lucht. De aantasting is te herkennen aan het verwelken van de planten. De stengel kan bruin verkleuren, waarbij de bast aan de stambasis is ingesnoerd.

Gaat een plant in erg natte potgrond verwelken en is bovengronds geen bijzondere verkleuring van stengels en geen pluisvorming te zien, dan kan er een Pythium-schimmel in het wortelgestel voorkomen. Deze schimmel veroorzaakt zwartrot aan de bast laag van de wortels. Van de worteluiteinden blijven alleen de centrale cilinders als dunne draadjes over. De sporen verspreiden zich door de waterfilm.

Ook hier aangetaste plantendelen verwijderen en afvoeren. Om de ziekten te voorkomen de klimaatomstandigheden in de kas verbeteren. Ventileren, verwarmen en minder water geven. Er zijn nog meer schimmels die verzwakte planten of heel jonge stekken infecteren.

Meeldauw.

Meeldauwschimmels zijn zeer soort specifiek. Gelukkig komt het niet veel voor op fuchsia’s. Maar het kan in de nazomer of in de herfst voor problemen zorgen. Deze schimmel (het mycelium) groeit over het blad heen en vormt wittige vlekken of een geheel bepoederd uiterlijk. Hierin ontstaan zwarte of bruine stippen. Dat zijn de vruchtlichamen, waarin de sporen ontstaan. De schimmel op zich is niet schadelijk, maar als het hele blad bedekt is krijgt de plant niet genoeg licht meer. Het resultaat is dan dat het blad eraf valt.

Beestjes

Beestjes.

Gezonde, sterke planten hebben meestal ook weinig last van een insecten invasie. Zodra een plant in een wat mindere conditie verkeert, door lucht- , water- of voedings-gebrek/teveel, is het net alsof ze een bepaalde lucht afscheiden waar hele horden van die kleine sap zuigertjes op af komen. Gebruik geen of niet te veel bestrijdingsmiddelen. De schadelijke beestjes gaan wel dood, maar hun natuurlijke vijanden gaan er ook aan. De plaag komt na een tijdje in ergere mate terug. Probeer een natuurlijk evenwicht te bereiken.

Bladluizen.

Dit zijn kleine groene of zwarte insecten vooral op de jonge toppen en bladeren. Bladluizen komen in veel soorten voor en bijna alle planten worden wel door een bladluizensoort bezocht. Bladluizen overwinteren op een andere plant dan de plant waar ze ‘s zomers aan zuigen, waardplanten genoemd.

Zodra een plant zich wat minder voelt, treedt er een verhoogde concentratie in het blad op van suikers of aminozuren. Hier komen de luizen op af. Deze verandering van sap samenstelling wordt veroorzaakt door groeistagnaties: bijv. Teveel stikstof; droogte; watergebrek door bodemverdichting; weersomslag; verplanten.

Als er een kudde aanwezig is komen er ook herders. In dit geval de mieren. Je ziet soms een onafgebroken konvooi van mieren op weg naar de luizenkudde. Leeg heen en vol terug. Ze zijn verzot op de zoete afscheiding die luizen produceren. Dus vertroetelen ze hun kuddes. Ze verweiden hun kudde zelfs als de voedselbron wat minder wordt. Ook weren deze herders vijanden af.

Bepaalde plantencombinaties kunnen luizenproblemen tegengaan. Welke combinatie voor fuchsia’s het beste is weet ik nog niet. Niet alle tweespannen zijn bevorderlijk voor elkaar, soms zelfs het tegenovergestelde. Knoflook, Uien, Afrikaantjes, Munt, Hysop, Salie, Tijm, Lavendel en Melisse worden geacht luizen af te schrikken.

Natuurlijke vijanden zijn er ook voor luizen: lieveheersbeestjes en dan vooral hun larven, zweefvliegen, gaasvliegen, galmuggen, sluipwespen. Deze vijanden moeten dan wel weer uitkijken voor de herders, de mieren.

Bladmineerders.

Dit is een verzamelnaam voor alle larven en rupsjes die in het blad, tussen de opperhuid aan de bovenkant en de opperhuid aan de onderkant, hun mijngangen graven. Vandaar Mineerder. Het kunnen zowel larfjes als rupsjes zijn. Ze vreten het bladmoes weg, waardoor alleen de opperhuiden aanwezig blijven zonder groen ertussen. Elke soort heeft zijn eigen specifieke mijn-patroon. De gang begint heel smal en wordt steeds wijder, want het beestje groeit hard en wordt steeds dikker en heeft dan meer ruimte nodig, dus een wijdere gang.

Als je met een vergrootglas de mijngang bekijkt, zie je in de gang de uitwerpselen van het beestje liggen. Als de korreltjes mooi op een rijtje liggen was het een rupsje, want die loopt netjes recht. Daar komt dan een klein vlindertje uit, een mineermotje. Een larve heeft geen pootjes en kronkelt zicht vooruit, waardoor de uitwerpselen dan links, dan rechts in de gang liggen. Dit kan dan zijn van een vlieg, een bladwesp of een kever.

Over het algemeen is er weinig schade door deze mineerders en hoeft er verder niet tegen opgetreden te worden. Vaak zitten er zelfs al parasieten op, waardoor het larfje niet eens tot volwassenheid komt. Als je het lelijk vind kun je het betreffende blaadje eraf knippen. Je kunt ze ook bestuderen en zien hoe prachtig de natuur in elkaar steekt.

Cicaden.

Van de vele soorten cicaden die in de natuur voorkomen, bezoeken drie soorten regelmatig de fuchsia's. Dat zijn de rozecicade Typhlocyba rosea, de schuimcicade (spuugbeestje) Phylaenus spumarius en sinds enkele jaren een cicade met de naam Empoasca vitis. De Plantenziektekundige Dienst in Wageningen signaleerde deze soort, die in ons land op allerlei andere soorten planten al langer voorkomt, voor het eerst in fuchsia's op haar proefveld in 1983.
Cicaden zijn snavelinsekten die zich zenuwachtig vliegend, dan weer springend, verplaatsen en op het eerste gezicht wel iets lijken op groene bladluizen. De cicade is circa 3 mm lang. De schuimcicade is bruinachtig, de beide andere soorten zijn lichtgeel tot lichtgroen. Cicaden overwinteren in volwassen stadium op gewassen die in de winter groen blijven.
Ze leggen de eitjes aan de onderzijde van het blad. De meeste soorten cicaden kunnen maar twee generaties larven op de wereld zetten. De larven zijn kleiner dan de volwassen cicaden en bezitten geen vleugeltjes. Een belangrijke aanwijzing voor een aantasting door cicaden zijn de lichtkleurige huidjes die u tussen de larven aantreft. Dit zijn de jasjes die ze bij een vervelling uittrekken.
De larve van de schuimcicade verschuilt zich in het bekende schuimvlokje, ook wel koekoekspog genoemd, tegen bladeren en in bladoksels. Het schuim beschermt hem tegen uitdrogen en vijanden.
Cicaden leven vooral op de onderzijde van de bladeren. Als u een plant aanraakt, springen of vliegen ze weg.
Ze leven van plantensappen die ze uit de bladeren zuigen.
De bladeren die de rozecicade aantast, krijgen meestal eerst witte vlekjes. Daarna lijkt het blad aangetast door spint. Later vallen deze bladeren af.
De aantasting door Empoasca vitis is ernstiger en de bladval is vaak zo groot dat de plant gaat kwijnen of doodgaat. De aangetaste bladeren hebben bruine punten, die later omkrullen. Dit schadebeeld doet denken aan bladverbranding.
Sinds ik de planten aangiet tegen de eerder hier behandelde plsntenziekten als witte- vlieg, bladluizen en taxuskevers, heb ik nauwelijks meer last van een aantasting door cicaden.

Fuchsia-galmijt.

Hommels.

Pissebedden.

Regenwormen.

Rupsen.

Spintmijt.

Taxuskever.

Trips.

Wantsen.

Wortelluis.

Witte vlieg.